|
IN DEN BEGINNE
Alle mensen die
al wat langer bij “De Sjores” betrokken zijn, kennen hun klassieken.
Ze weten dat we met zeven enthousiastelingen begonnen zijn. Ze weten dat
het, wat blazers betreft, om Ome Leon (klarinet), Ome Jos
(ventieltrombon), Paul de Blok (trompet of bugel) en Peter de Blok
(piston ) ging. In het programmaboekje van het 10-jarig bestaan stond er
ook een artikeltje over die begintijd, en in vele krantenartikelen heeft
er van alles gestaan over de eerste schreden.
Dus alle lezers van dit mooie boekwerk weten ook dat de drie slagwerkers
(slagers was een betere benaming geweest) Louis d´Hooghe, Jan Blanckaert
en Eddy van Driessche waren. Maar wat jullie waarschijnlijk nooit
verteld is, is het volgende.
De vier blazers,
zie boven, waren net iets meer muzikant dan de slagwerkers. Dat was ook
niet moeilijk, want de slagwerkers waren 0 % muzikant. Bij de eerste
repetities wilden de blazers er de slagwerkers niet bijhebben. Ze
dachten uiteraard dat ze daar veel te veel door afgeleid zouden worden.
Je kunt je de eerste reactie van Louis misschien wel voor de geest
toveren, hij vond die blazers maar “een stelletje dikke nekken”. Maar
ome Leon had toentertijd de regie, en zoals een goed “Van Hoof” betaamt,
was ook hij onvermurwbaar. De ongeduldige slagwerkers moesten op de
reservebank plaatsnemen en zouden wel horen wanneer ze gewenst waren.
Na een tijdje
repeteren op “Mannekes van plezier” en “De klok van Arnemuiden” waren de
blazers ervan overtuigd dat 50 % van het publiek, zonder voorzeggen, de
titel van het deuntje zou kunnen raden als het door hen gespeeld zou
worden. En dat was een statistische voorspelling uit het tijdperk vóór
Maurice de Hondt.
Maar de blazers hadden buiten het slagwerk gerekend. Na verloop van tijd
kreeg deze groep namelijk hun oproep te verschijnen voor het presidium
der muzikalen. Opgetogen zakten zij af naar Heikant. Daar aangekomen
spande Louis zijn trommel nonchalant op, na elke twee touwen even
kritisch naar het geluid zijner trommel luisterend om, gelijk een
volleerd “touwslager”, door te gaan met zijn opspanwerk. Zijn witte
manen reikten parmantig richting de boomtoppen en hij had die blik in
zijn ogen van: “ik zal ze ´ns wat laten meemaken, die ……………”.
Eddy probeerde angstvallig te verbergen dat hij eigenlijk niet goed wist
hoe het geleende standaardje, alwaar de snarentrommel opgezet diende te
worden, moest worden opgezet, maar met behulp van zijn iets technischere
zwager, lukte dat. De snarentrommel stond weliswaar los, maar het stond
op de standaard. Jan was sneller klaar met zijn instrument. Hij stak
zijn handen fluks door de bekkenhengsels en keek wat verveeld rond naar
al die plichtplegingen die muzikanten zich veroorloven voordat ze
eindelijk eens beginnen, de leek meestal imponerend met een scala aan
handelingen die door Desmond Morris “oversprongbewegingen” genoemd
worden.
Ome Leon legde
uit dat hij eerst in een bepaald tempo een bepaald aantal tellen vooraf
zou doen, waarna wij geacht werden tegelijkertijd het te spelen stuk aan
te vangen; geconcentreerd wachtte ieder af. Ook Paul de Blok praatte
zelfs even niet.
Na de tellen van ome Leon pakten we zeer serieus ons karwei op. Ieder
had zo zijn eigen voorstelling gemaakt van het tempo waarin gespeeld
diende te worden en wat bleek, dat waren zeven verschillende
voorstellingen, het leek de LPF wel.
Louis ging met veel armgezwaai en zwierige bewegingen zijn trommelvel te
lijf, en leek meer aandacht te hebben voor het esthetische van zijn
bewegingen en de houding hoe hij er bijzat dan dat hij oor had voor het
tempo, niet beseffend dat hij eigenlijk de motor van dit orkest moest
zijn. Jan had zich voorgenomen met een scheel oog naar Louis te kijken
en in diens ritme mee te gaan. Maar probeer maar eens met twee bekkens
zo te zwieren als dat Louis met zijn ene stok deed. Het resultaat laat
zich raden, Jan liep ofwel net iets voor ofwel net iets achter op Louis,
hetgeen Jan enkele afkeurende blikken van ome Leon opleverden. Eddy
dacht waarschijnlijk: mijn pit is tamboer geweest, mijn onkel is het nog
steeds, dus het is een aangeboren talent. Niet dus. Veel te hard werd
het geleende vel gegeseld, zich helemaal concentrerend op die ene roffel
die er na vijfhonderd keer toch wel eens vloeiend uit zou moeten komen.
De blazers keken overmatig serieus op een blaadje waar wat notennamen
opgeschreven stonden in begrijpelijke lettertaal. Zo was ieder leuk voor
zichzelf begonnen en als ome Leon niet na enkele minuten iedereen hard
tot de orde had geroepen, waren we zo waarschijnlijk de eerste repetitie
ook samen beëindigd: “samen voor ons eigen”.
Ome Leon
probeerde daarna diplomatiek uit te leggen dat we ook zouden kunnen
luisteren naar elkaar tijdens het spelen en er werd een handdoek op de
kleine trom gelegd. Niet dat Eddy te hard sloeg, nee,……., “maar met zo´n
kleine blazerbezetting kon de trommel niet op volle sterkte beroerd
worden.” En wie durft er nou nog te zeggen dat ze bij de politie niks
leerden ??
Zo modderden we
een tijdje door, en waren we rond tien uur toe aan een pint en de
hamvraag: durven wij hiermee op de reünie voor de dag te komen ?? We
liepen de acts eens langs die bij afgelopen reünies gepresenteerd waren
en besloten al snel dat het moest kunnen, er waren al zottere
presentaties geweest. Diep in ons binnenste was dat natuurlijk niet de
echte reden, nee, we vonden het veel te leuk om te doen, zelf “muziek
maken”, met daarna een goed glas bier, wat hapjes en sterke verhalen. En
alles gelegaliseerd ten opzichte van de vrouwelijke achterbannen, mooier
kon niet. En voor die ene reünie was het toch leuk, er waren nog nooit
echte instrumenten bespeeld. “Laten we het maar proberen” was het
devies, “maar laten we nu eerst de glazen nog eens bijvullen, want dan
durven we nog meer”.
Op die avond
realiseerden we ons niet dat we met Sjores veel applaus zouden oogsten
in Michelstadt, dat we ooit een volle tribune Brugge-supporters bij
Beveren zouden laten meezingen op “De Vlieger”, dat we 17.000 gulden
zouden ophalen voor “Redt de Basiliek” of dat we een “Night of the
Klomps” zouden organiseren.
Maar belangrijker dan dat was voor velen toch de saamhorigheid en
gezelligheid aantreffen die ook onlosmakelijk met Sjores verbonden is.
De aanzet is gegeven door mannen als ome Leon, ome Jos, Louis en Paul en
die estafettestok wordt nog steeds doorgegeven. Hopelijk blijft die stok
nog een behoorlijke tijd in ons midden en blijven we hem doorgeven.
Nieuwe initiatieven zijn er genoeg, er wordt “werm gebloaze”, gehockeyd,
vrouwenverwendagen georganiseerd, gefietst tegen windkrachtje 6, en noem
maar op. De Sjores is al sinds 1982 springlevend.
|